|
|
Stabat Mater van Schubert (1797-1828)
Toelichting en vertaling door Carmita van Santen, Groningen
Het Stabat Mater is van oorsprong een mystiek liturgisch gedicht. Het ontstond in de Middeleeuwen. De tekst beschrijft het leed van Maria bij de kruisdood van Jezus Christus. Dit onmetelijke lijden mondt uiteindelijk uit in zaligheid na de dood.
Schubert heeft een tekst van de Duitse theoloog F.G. Klopstock (1724-1803) met het thema van de gekruisigde Jezus op muziek gezet en dat Stabat Mater genoemd, maar deze tekst is anders dan het Latijnse Stabat Mater.
Klopstock is met zijn Epos Messias (1748) over lijden en verrijzenis van Jezus Christus als dichter doorgebroken en heeft daarmee tegelijkertijd de stroming van de Empfindsamkeit ingeluid. Dit werk werd erg veel gelezen en was in de tijd van het rationalisme als een openbaring. Als je dingen met je verstand kunt begrijpen, kun je ook meevoelen met gevoelens.
Toelichting op tekst
De tekst van het muziekstuk geeft eerst het beeld van de stervende Christus aan het kruis met daaronder zijn moeder Maria en zijn vriend Johannes. Al in het tweede deel wordt hij bemiddelaar genoemd. In deel drie wordt duidelijk dat bemiddeling tussen moeder en vriend bedoeld wordt. De Christus geeft als het ware zijn vriend als zoon aan zijn moeder en zijn moeder als moeder voor zijn vriend. Dit kan men als een ommezwaai in de zienswijze van deze scene zien. Empfindsamkeit, het mee kunnen beleven komt centraal te staan. Dit wordt mogelijk doordat het perspectief van het Middeleeuwse verhaal 180 graden wordt omgedraaid. In deel 3 is het namelijk niet Maria die haar zoon aanschouwt, maar Jezus zijn moeder. In dat deel buigt Jezus liefdevol zijn gezicht en zegt tegen Maria en zijn vriend: ‘Jij bent de moeder van deze zoon (lees Johannes) en jij, Johannes, de zoon van deze moeder’. Het is een troostend element dat ze elkaar krijgen. Dat wordt in deel 4 ondersteund door de engelen die zich verheugen over het geluk dat bemiddelaar zijn moeder en zijn vriend gaf toen hij stierf. Ook deel 5 maakt meebeleven mogelijk. Als je mee kunt wenen kan je mee blij zijn. Meegevoeld verdriet kan tot troost tijdens het leven leiden en niet alleen tot zaligheid na de dood. Dat komt ook tot uiting in de tekst van deel 11, waar het over een voorproefje van de hemel gaat. Dit deel biedt troost en geluk aan alle mensen. Het Stabat Mater van Klopstock is geen klaagzang, eigenlijk is het meer een oratorium.
|
|
Tekst en vertaling
|
|
1. Jesus Christus schwebt am Kreuze (Coro) |
Jesus Christus schwebt am Kreuze! Blutig sank sein Haupt herunter, blutig in des Todes Nacht. |
2. Bei des Mittlers Kreuze (Aria) |
Bei des Mittlers Kreuze standen bang Maria und Johannes, seine Mutter und sein Freund. Durch der Mutter bange Seele, ach, durch ihre ganze Seele, ach, drang ein Schwert.
|
3. Liebend neiget er sein Antlitz (Coro) |
Liebend neiget er sein Antlitz: du bist dieses Sohnes Mutter! Und du dieser Mutter Sohn. |
4. Engel freuten sich der Wonne (Duetto) |
Engel freuten sich der Wonne, jener Wonne, die der Mittler seiner Mutter, seinem Freunde sterbend gab. Abgetrocknet sind nun ihnen alle Tränen, mit den Engeln freu’n sie sich. |
5. Wer wird Zähren sanften Mitleids (Coro) |
Wer wird Zähren sanften Mitleids nicht mit diesen Frommen weinen, die dich, Herr, im Tode sahn? Wer mit ihnen nicht verstummen, die dich, Herr, im Tode sahn?
Wer wird Tränen sanften Mitleids diesen Frommen nicht weinen? Wer mit ihnen nicht verstummen, die dich, Herr, im Tode sahn?
Wer wird sich nicht innig freuen, dass der Gottversöhner ihnen, Himmel, deinen Vorschmack gab, ach dass Jesus Christus ihnen, Himmel, deinen Vorschmack gab.
|
6. Ach, was hätten wir empfunden (Aria) |
Ach, was hätten wir empfunden am Altar des Mittleropfers, am Altare, wo er starb. Seine Mutter, seine Brüder sind die Treuen, die mit Eifer halten, was der Sohn gebeut. Ach was hätten wir empfunden am Altar des Mittleropfers, am Altare, wo er starb. |
7. Erben sollen sie am Throne (Coro) |
Erben sollen sie am Throne, in der Wonne Paradiese, droben strahlt die Krone, droben. |
8. Sohn des Vaters (Aria) |
Sohn des Vaters, aber leiden müssen deine Brüder eh’ sie droben an dem Throne, eh’ mit dir sie Erben sind. Nur ein sanftes Joch, leichte Lasten, o göttlicher Mittler, o göttlicher Vollender, sind deinen Treuen alle Leiden dieser Welt, nur ein sanftes Joch, o Mittler, nur leichte Lasten sind deinen Treuen alle Leiden dieser Welt. |
9. O du herrlicher Vollender (Coro) |
O du herrlicher Vollender, der sein Joch mir, seine Lasten sanft und leicht allein, alleine macht.
Auf dem hohen Todeshügel, auf der dunklen Schädelstätte, da, da lernen wir von dir Versöhner, da von dir.
Dort rufst du mich von der Erde laut gen Himmel, mich zu jenem Erb’ im Licht, ach, mich zum Erb’ im Licht hinauf.
|
10. Erdenfreuden und ihr Elend (Terzetto) |
Erdenfreuden und ihr Elend, möchtet ihr dem Wandrer nach Salem Staub unterm Fusse sein, kurze Freuden, leichtes Elend.
Möcht’ich, wie auf Adlers Flügeln, hin zu euch, ihr Höhen, eilen, ihr Höhn der Herrlichkeit! Mitgenossen jenes Erbes, Mitempfänger meiner Krone, meine Brüder, leitet mich.
|
11. Dass dereinst wir, wenn im Tode (Terzetto e Coro) |
Dass dereinst wir, wenn im Tode wir entschlafen, dann zusammen droben unsre Brüder sehn, ungetrennet im Gerichte droben. |
12. Amen, amen (Coro) |
Amen |
|
|
1. Jezus Christus hangt aan het kruis (koor) |
Jezus Christus hangt aan het kruis! Bebloed viel zijn hoofd voorover, bebloed, in de doodsnacht. |
2. Onder het kruis van de bemiddelaar (aria) |
Onder het kruis van de bemiddelaar stonden bang Maria en Johannes, zijn moeder en zijn vriend. Een zwaard doorkliefde de bange ziel van de moeder, ach, doorkliefde haar hele ziel.
|
3. Liefdevol boog hij zijn gezicht: (koor) |
Liefdevol boog hij zijn gezicht: jij bent de moeder van deze zoon! En jij de zoon van deze moeder. |
4. Engelen verheugden zich over de zaligheid (duet) |
Engelen verheugden zich over de zaligheid, over het geluk dat de bemiddelaar aan zijn moeder en aan zijn vriend gaf terwijl hij stierf. Gedroogd zijn nu al hun tranen en samen met de engelen zijn zij blij.
|
5. Wie zal geen tranen van teder medelijden (koor) |
Wie zal geen tranen van teder medelijden laten stromen, samen met deze vrome mensen die U, Heer, zagen sterven? Wie zal niet met hen verstommen, die U, Heer, zagen sterven? Wie zal geen tranen van zacht medelijden voor deze vrome mensen laten stromen?
Wie zal niet met hen verstommen, die U, Heer, zagen sterven?
Wie zal niet intens blij zijn, dat de goddelijke verzoener hen een voorproefje van jou, oh, hemel, gaf, dat Jezus Christus hen, oh, hemel, jou liet proeven.
|
6. Ach, zouden wij ons hebben kunnen invoelen (aria) |
Ach, wat zouden wij gevoeld hebben aan het altaar, waarop de bemiddelaar geofferd werd, waar hij stierf. Zijn moeder en zijn broers zijn de getrouwen die met hart en ziel behouden, waarvoor de zoon geboet heeft. Ach, wat zouden wij gevoeld hebben aan het altaar, waarop de bemiddelaar geofferd werd, waar hij stierf. |
7. Aan de troon zullen zij gelukzalig het paradijs erven (koor) |
Aan de troon zullen zij gelukzalig het paradijs erven, boven straalt de kroon, daar boven. |
8. Zoon van de Vader (aria) |
Zoon van de Vader, maar jouw broers moeten lijden voordat zij daar boven aan de troon, voordat ze samen met jou zullen erven. Al het lijden op deze wereld is slechts een zacht juk, zijn slechts een lichte last, oh, goddelijke zaligmaker, voor hen die jou trouw zijn, slechts een zacht juk, oh, bemiddelaar, slechts een lichte last, is al het lijden op deze wereld voor hen die trouw zijn aan jou. |
9. Oh, jij, zaligmakende Heer (koor) |
Oh, jij, zaligmakende Heer, jij alleen maakt het juk, de last zachtmoedig en licht voor mij.
Op de hoge heuvel des doods, op de donkere schedelplaats, daar, daar leren wij van jou, verzoener, daar van jou.
Daar roep je mij luid op van de aarde naar de hemel, mij op naar die erfenis in het licht, ach, mij op naar de erfenis in het licht.
|
10. Aardse geneugten en haar ellende (terzet) |
Laten aardse geneugten en ellende het stof onder de voeten zijn van de Pelgrim naar de Vrede, korte geneugten, lichte ellende.
Laat mij, als op arendsvleugels naar de hoogtes vlieden, naar de voortreffelijke heerlijkheid! Jullie die delen in die erfenis, medeontvangers van mijn kroon, mijn broeders, leid mij.
|
11. Mogen wij eens, als wij sterven (terzet en koor) |
Mogen wij eens, als wij sterven, samen daarboven onze broeders zien, verenigd in het hemelse gerechtshof. |
12. Amen (koor) |
Amen, amen.... |
|
|
|
|
|
   |