Robert Schumann
Robert Alexander Schumann werd geboren op 8 juni 1810 in Zwickau bij Düsseldorf. Zijn vader was een liberaal denkend uitgever. Schumann groeide op te midden van boeken en romantiek. Zijn muzikale ambities deden niet onder voor zijn literaire. Vanaf 1830 wijdde hij zich geheel aan de piano. Zijn ongeduld en zijn verbetenheid om vooral zijn vingertechniek te vervolmaken werden hem funest: om een grotere behendigheid te ontwikkelen, bond hij zijn rechtermiddelvinger af wat een verlamming tot gevolg had. Zijn ambities om een pianovirtuoos te worden, waren geruïneerd. Vanaf die tijd wijdde Schumann zich volledig aan het componeren.
Hij werd in 1850 stedelijk musikdirector te Düsseldorf en dirigent van de Allgemeine Musiekverein aldaar.
Schumann beschouwde zichzelf niet als religieus, wel had hij religieuze gevoelens. Ondanks zijn protestantse afkomst moest hij in het katholieke Düsseldorf enige malen per jaar religieuze muziek uitvoeren. Symptomen van een geestesziekte (manische depressiviteit), die hem al eerder parten had gespeeld, leidden tot een reeks conflicten en uiteindelijk tot zijn ontslag in 1953.
Schumann geldt als de grootste romanticus van zijn tijd. Hij representeert, als persoonlijkheid èn als componist, het centrum van de Duitse romantiek op haar hoogtepunt. Zijn ongewone gevoeligheid zou hem tot een vooraanstaande persoonlijkheid in de muziek van de 19e eeuw maken. Omdat die gevoeligheid gepaard ging met een - vermoedelijke erfelijke - psychische ziekte, werd ze een vloek voor hem. Ondanks zijn vele depressies was hij een zeer vruchtbare componist en schreef hij tal van werken, niet alleen voor piano, maar ook nu nog veel gezongen liederen, vier indrukwekkende symfonieën, en belangrijke composities voor koor en orkest, die men helaas zelden hoort.
In de laatste jaren van zijn leven heeft Schumann een stijl ontwikkeld waarin hij alles tot de wezenlijke muzikale kern wist terug te brengen. Zijn tijdgenoten, die niet veel begrepen van dit nieuwe muzikale idioom, meenden dat zijn later geconstateerde geestesziekte er debet aan was. Dit idee hield lang stand, maar slaat in de ogen van musicologen nergens op. Zij wezen er op dat Schumann’s nieuwe compositorische benadering in zijn laatste werken via Brahms vooruitloopt op compositietechnieken van de zeer moderne en nog steeds controversiële Schönberg. En dus uiterst actueel is.
Ook in onze tijd lijken vooroordelen en misverstanden over het zeer geconcentreerde Requiem nog steeds te bestaan. Is dat wellicht de reden dat dit prachtige werk zo weinig wordt uitgevoerd?
Het Requiem op. 148 is het laatste opusnummer van Schumann. Hij schreef het in een paar dagen in april en mei 1852. Het is een dicht geweven werk met geen enkele uitwijding. Het Requiem speelt zich in 33 minuten af. De onderdelen worden op een meesterlijke manier steeds afgewisseld. Men hoort een combinatie van de lyriek èn polyfonie van een componist die zowel van de vorm van het lied als van de symfonie hield. Solisten en koor mengen zich in indrukwekkende dialogen. Schumann wil, in tegenstelling tot Fauré, juist wél alle aspecten van de tekst van het Dies irae, de onheilsdag, belichten. Ook valt op hoe Benedictus, Agnus Dei en Lux perpetua tot één samenhangend deel worden gesmeed, uitstervend in de woorden: ‘Geen hem rust’. Schreef Schumann dit Requiem voor zichzelf?
(Met dank aan Dick Leutscher)
|
|
|