‘MENSEN MOETEN BEZIG BLIJVEN MET DE MUZIEK’
Bernard Sleumer bij afscheid KOV
NvhN, 2 november 1973
‘Je kunt beter zelf, als je nog goed gezond bent, besluiten ermee op te houden dan te wachten tot het moment, waarop anderen dat voor je doen’, zegt Bernard Sleumer over zijn afscheid als dirigent van de Katholieke Oratorium Vereniging, die 35 jaar geleden op zijn initiatief werd opgericht. Anderzijds: ‘Het is normaal, dat een musicus werkt en geen genoegen neemt met half werk, doordat hij steeds opnieuw door de muziek wordt gegrepen. Ik kan me niet voorstellen, dat een musicus ooit blij kan zijn als hij op zijn vijfenzestigste ermee ophoudt’. Het afscheid van zijn KOV valt Bernard Sleumer (63) dan ook zwaarder dan hij had gedacht.
|
|
Sinds 1938 is Bernard Sleumer bij het onderwijs - dat was oorspronkelijk niet de bedoeling, maar ik kreeg er aardigheid aan: - momenteel aan een Katholieke en aan een Hervormde MAVO en aan de basisschool in de Moesstraat met het maximumaantal van 32 uren per week. Gedurende tien jaar is hij dirigent van de Koninklijke Liedertafel Gruno geweest. In tal van orgelpartijen heeft hij medewerking verleend (ook) als solist bij de toenmalige Groninger Orkest Vereniging (nu NFO) onder leiding van Jan van Epenhuysen. En niet te vergeten is hij al veertig jaar lang organist-koordirigent van de Katholieke kerk. Al bij al meer dan voldoende reliëf voor zijn opmerking, dat werk (en dan geen half werk) voor een musicus normaal is......
Want dirigeren zelf is voor de heer Sleumer niet iets vanzelfsprekends: ‘als ik het podium op moest, had ik altijd het gevoel dat ik liever de andere kant op zou lopen. Van nature hoef ik daar niet te staan: voor mezelf zit ik eigenlijk liever in de zaal te genieten. Als dirigent heb ik het eerst ook alleen moeten hebben van afkijken bij concerten; pas later heb ik om dat bij te spijkeren, nog koor- en orkestdirectie gestudeerd bij Jan van ’t Hoff. Hij bevestigde, wat ik door ervaring had opgedaan. Wat hij geweldig goed kon was zelfvertrouwen geven en daar liep ik nu niet bepaald van over.’
Geen wonder dat de heer Sleumer bij de KOV, waar hij zo aan verknocht is, ook spanning en zorgen heeft gekend. ‘Het verenigingsleven is tegenwoordig moeilijk. Zelfs bij een koor met zo’n prettige sfeer als de KOV valt het niet mee, de mensen bij elkaar te houden. Bovendien moet je steeds weer werken zien te vinden, die speciaal voor dit koor geschikt zijn. Het is een romantisch koor, barokmuziek is niet zo geschikt.’
-U bent anders meer dan eens met een originele keuze gekomen, zoals in de afgelopen jaren het Gloria van Poulenc en het Te Deum van Kodály.
‘Dat ging ook wel eens met moeite en pijn, daarom combineerde ik zo’n werk in een programma met iets anders, dat het koor van huis uit beter lag. Je had verder ook altijd die drang van de kaartverkoop, die ontbreekt gelukkig bij het kleine, gemengde koor dat ik nu in de kerk heb en dat onder andere Missen van Mozart en Schubert zingt. Vroeger had ik in de kerk eigenlijk elke dag een groot jongenskoor van 55 jongens van de Zusterschool, maar nu zijn er in totaal niet eens meer 55 jongens op die school.’ -Hoe ziet u het probleem van wat meer technische en theoretische scholing bij koorzangers?
‘Ze doen het voor hun genoegen. Indertijd namen enkele leden van ‘Gruno’ het initiatief
|
om een Teleaccursus daarover te volgen. Dat
zouden we samen doen, voor eventuele onopgeloste problemen konden ze bij mij terecht. Maar na zes of zeven keer was iedereen ermee opgehouden.
Kinderen en muziek
Het is ook te inspannend; bovendien zou het veel vroeger moeten gebeuren, bij kinderen. Op dat punt gebeurt er nog veel te weinig in Nederland. Er zouden mensen moeten worden opgeleid die dit werk kunnen doen op kleuter- en basisscholen. Daar ligt de kern van de zaak, want het gaat erom dat mensen bezig blijven met muziek, als een soort geneesmiddel misschien wel.
Ieder mens kan zingen. Op scholen heb ik ondervonden, dat er praktisch geen onmuzikale mensen zijn. Hier is het alleen generaties lang versperd. Als ik kinderen laat improviseren moet ik ze eerst vertellen, dat ze er niet eerst bij hoeven nadenken, zoals bij alle andere dingen. Spontaan-zijn moeten ze leren, dat is jammer genoeg de omgekeerde wereld.’
Liturgische veranderingen
-In de Katholieke kerk hebt u van nabij zeer ingrijpende veranderingen meegemaakt. Wat de liturgie betreft zou ik me kunnen voorstellen dat u die veranderingen, juist als kerkmusicus, betreurt.
De heer Sleumer vertelt, dat hij als organist in de Franciscuskerk twaalf jaar een Hammondorgel heeft moeten bespelen. ‘Dat is slecht voor een musicus. Daarna moest ik het pedaalspel eigenlijk opnieuw leren. Ik ben toen les gaan nemen bij George Stam, ook in contrapunt, want dat moet je wel beheersen.’
Vervolgens was hij langdurig werkzaam in de Sint Martinuskathedraal en sinds die is gesloten in de Sint Jozefkerk.
‘Ik heb alle mogelijke diensten gespeeld, van streng-Latijnse tot Citydiensten, en de kern van de zaak is altijd dezelfde gebleven: mensen die ergens naar zoeken. Alles is versoberd, maar die rijkdom was ook overdreven; het is fout geweest de mystiek uit de kerk te halen, de mensen zijn misschien wat veranderd, maar aan de kern kun je niet komen. Als die niet onaantastbaar was, was het in die tweeduizend jaar al veel eerder afgelopen geweest. Na veertig jaar vrijwel dagelijks in de kerk kijk ik er zelf wel anders tegenaan, het is zo vertrouwd geworden, als een vriend met wie je werkt.
Ik zing nog wel eens in de twee weken Gregoriaans, want dat is met dat vrije ritme een wonderbaarlijke bron. Dat houd ik altijd vast, dat moet worden doorgegeven.'
RENSKE KONING
|
|