Op 19 november jl. vond een bijzonder concert van de Katholieke Oratorium Vereniging onder begeleiding van het NNO plaats. Na maar liefst 35 jaar legde Chris Fictoor op deze avond voorgoed het dirigeerstokje van dit prachtige koor neer. Zijn afscheid viel samen met het 70-jarig jubileum van de KOV. Een feestelijk en tegelijk emotioneel moment, maar zoals hij zelf zegt: “Het is goed zo. Ik heb er lang over nagedacht, ben zeker niet over één nacht ijs gegaan. Maar ik voelde dat het moment daar was om het stokje over te dragen. Dit ambitieuze en altijd nieuwe wegen inslaande koor is bij mijn opvolger Bram van der Beek in uitstekende handen.”
Tekst: Annet Kampinga
|
|
Chris Fictoor heeft sinds zijn jonge jaren een hechte band met de KOV. Ook de Groninger Orkest Vereniging – voorganger van het NNO – leerde hij als kind al kennen. “Op mijn zevende trad ik toe tot de kathedrale koorschool van Bernard Sleumer, mijn voorganger bij de KOV. Hij leidde het koor vanaf het oprichtingsjaar 1938 tot 1973, het jaar van mijn aantreden. De eerste keer dat ik de KOV hoorde, was in 1958, ik was negen Onder begeleiding van de Groninger Orkest Vereniging werd in concertzaal De Harmonie in Groningen La croisade des enfants van Gabriel Pierné uitgevoerd. Vooral het jongenskoor in dat oratorium maakte op mij een overweldigende indruk. Op mijn vijftiende werd ik zelf lid van de KOV. Een van de belangrijkste lessen die ik van de dirigent Sleumer heb geleerd, vooral waar het de samenwerking met het symfonieorkest betrof, was: geen kapsones, zorg dat je de partituur van binnen en van buiten kent en ga voor de muziek!”
WAT MAAKT DE KOV ZO BIJZONDER DAT JE ER 35 JAAR ALS DIRIGENT AAN VEBONDEN HEBT WILLEN ZIJN?
“Trouw! Het feit dat dit koor in de zeventig jaren van zijn bestaan nog maar twee dirigenten heeft gehad, zegt veel over de cultuur. Binnen dit koor is een belangrijke plaats ingeruimd voor koorscholing en stemvorming en men staat altijd open voor vernieuwing. De grote oratoria van de Weense Klassieken en de Romantiek vormen de basis van het repertoire, maar ook wereldlijk, 20e-eeuws koorwerk en compositieopdrachten worden met verve ter hand genomen. Allemaal typische KOV-elementen die mij ongelovelijk hebben weten te inspireren al die jaren. Dit koor heeft een dynamiek die maakt dat dirigent en bestuur zich gedragen voelen.”
HOE KIJK JE TERUG OP DE SAMENWERKING MET HET NNO?
“De KOV brengt twee programma’s per jaar, waarvan traditiegetrouw één met het NNO. Mijn band met dit orkest gaat dus al terug tot de concerten waar ik als jeugdig koorlid met pas |
ingedaalde stem aan meedeed. De orkestleden die conservatoriumdocent waren, leerde ik tijdens mijn studie aan het Gronings conservatorium kennen. Bij mijn aantreden als KOV-dirigent was daarom al sprake van een natuurlijke verbinding, die extra verdieping kreeg toen ik in de zeventiger jaren voorzitter werd van de Artistieke Commissie van het toenmalige Noordelijk Filharmonisch Orkest. Ik heb altijd heel plezierig met het orkest samengewerkt en ik denk dat dit gevoel wederzijds is. Toen mijn aanstaande afscheid bekend werden gemaakt, lieten verschillende orkestleden mij weten hun best te zullen doen om tijdens het concert op 19 november ingeroosterd te worden. Dat roerde mij. Wat mij eveneens heeft geraakt, is dat het op voordracht van de Ondernemingsraad was, dat ik in 2001 ben toegetreden tot het bestuur - tegenwoordig Raad van Toezicht - van het NNO. Ik zal het orkest niet meer dirigeren, maar de band blijft bestaan, ook via mijn functie als directeur van het Prins Claus Conservatorium.”
WAT VOND JIJ DE HOOGTEPUNTEN IN DE SAMENWERKING TUSSEN KOV EN NNO?
“Ik zal nooit vergeten dat ik voor het eerst het Requiem van Verdi (1983) dirigeerde, hét standaardwerk van de KOV. Ook denk ik graag terug aan de feestelijke Carmina Burana van Orff (1984), Trois Psaumes van Marius Monnikendam (1986), de aan Mathieu Geelen verstrekte compositieopdracht ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van de KOV en in 1993 de Nicolas Cantate van Britten samen met het Roder Jongenskoor. Een emotioneel hoogtepunt was in 1985 het Joodse Avodath Hakodesh van Ernest Bloch, die we ter nagedachtenis aan de Tweede Wereldoorlog in de Martinikerk uitvoerden in aanwezigheid van Canadese oud-strijders. Ook het laatste concert was bijzonder. Daar zijn twee delen uit het door mijzelf gecomponeerde oratorium op teksten uit ‘Das Stundenbuch’ van Rainer Maria Rilke uitgevoerd. Ik heb de concerten van de KOV met het NNO en mijn eigen composities altijd gescheiden gehouden. Maar voor deze gelegenheid wilde ik, op aandringen van het koor, op dat principe graag een uitzondering maken.”
|
|